Aan mijn kast is niets bijzonders te ontdekken, gewoon een standaard Ikea Ivar die de afgelopen jaren steeds uitgebreider is geworden en altijd de inrichting van mijn kamers heeft bepaald (Vraag 1: waar komt de boekenkast? en daar de rest dan omheen bouwen).

Even de feiten op een rijtje: in deze kast staat het bescheiden aantal van 755 gelezen boeken, iets meer of minder dan 100 ongelezen boeken (de linkerkolom, waar de stoel voor staat), en een stuk of vijftien boeken waar ik nu mee bezig ben of waar ik ooit in begonnen ben (rechts naast de wekkerradio, en er liggen er nog een paar naast mijn bed).
Ik maak er een strenge regel van dat boeken pas in de daadwerkelijke kast komen te staan als ze helemaal gelezen zijn. Het gebeurt mij namelijk wel eens dat ik een boek uit iemands kast trek en er enthousiast over begin te praten om er vervolgens achter te komen dat diegene het boek nog niet gelezen had. Dat zal bij mij dus niet gebeuren.

Waar ik ‘trots’ op ben (ik vind ‘trots’ trouwens het verkeerde woord omdat ik niet echt het idee heb dat ik er iets bijzonders voor gedaan heb, dus ik moet eigenlijk zeggen ‘waar ik erg blij mee ben’, of ‘waar ik veel plezier uit kan halen’) zijn enkele (bijna) complete verzamelingen.
Als ik een auteur echt goed vind placht ik namelijk alles van diegene te lezen waar ik aan kan komen. Ik heb overigens Humanistiek en Wijsbegeerte gestudeerd dus er staan ook veel filosofische en wetenschappelijke boeken in mijn kast.
Noot 1: Studieboeken, vaak Anthologies, staan rechtsonderin, een beetje door elkaar heen gegooid, alle studieboeken die ik wel compleet gelezen heb staan in het ‘corpus’ van mijn kast, beginnend tweede kolom linksbovenin.
Noot 2: Ik ben het Frans niet machtig, dus alle boeken zijn ofwel Nederlands, ofwel Engels, en ik heb een enkel Duits werkje staan. Dat houdt dus ook in dat als ik zeg dat ik, e.g., alles van een Duitstalige schrijver zoals Musil heb gelezen, ik daarmee bedoel dat ik alle in het Nederlands vertaalde boeken van Musil gelezen heb.

Compleet / bijna-compleet in mijn kast aanwezig:
Beigbeider, Baudelaire, Céline, Cliteur, Dawkins (alles 1e druk hardcover), Dennett, Bret Easton Ellis, Houellebecq, Kavafis, Kerouac, McInerney, Henry Miller, Musil (alles behalve De Man zonder Eigenschappen, je moet natuurlijk het leukste voor het laatst bewaren), Perec (behalve Het Leven een Gebruiksaanwijzing), Nietzsche (bijna alles dubbel, ik maakte vroeger aantekeningen met pen (sic), daar ben ik gelukkig op teruggekomen en heb alles nog een keer gelezen en met potlood onderstreept, tegenwoordig doe ik het zelfs zo dat ik in de kantlijn een streepje zet, en dan achterin het boek -met potlood- een index met sleutelwoorden maak), Steven Pinker, Matt Ridley, Rimbaud, Oliver Sacks, Salinger (maar dat zijn er natuurlijk maar vier), Strindberg (geen toneel), Szymborska, Dylan Thomas, Vroon en Oscar Wilde. Natuurlijk ook veel Privé-Domein (maar alleen van auteurs die ik goed vind, ik spaar niet de serie) en (voor filosofen onmisbaar) veel Boom Klassiek, en veel Beat-auteurs.

Enkele bijzondere exemplaartjes: The Black Book van Lawrence Durrell (Obelisk Press, Paris, 1959), Kerouac’s Maggie Cassidy, (Avon, 1959, met ‘back blurb’ van Miller), Kerouac’s Scattered Poems (City Lights, SF, 4th printing 1974), Nietzsche’s Uit Mijn Leven & Herwaardering aller Waarden (beide overigens ongelezen), Henry Miller’s Smile at the foot of the Ladder (Boucher, Den Haag, 1953, alleen voor de Hollandse Markt), idem, My Life and Times (salontafelversie, Pall Mall Press), Wittgenstein’s Tractatus (vertaling, uiteraard, Hermans, 3e herziene druk, hardcover, 1982) Geen Magritte, van Jean-Paul Boerekamps (vond ik een geweldig boek toen ik het las, daarna nooit meer tegengekomen, waar dan ook).

De volgorde van de boekenkast is voor verzamelaars altijd een heikel punt. Oorspronkelijk stonden mijn boeken op chronologische volgorde (zie ook Jacques Bonnet: Een boekenkast vol geesten, hoofdstuk 3 | Inruimen en Klasseren), dat wil zeggen dat een boek in mijn kast kwam te staan zodra het uitgelezen was, en dan naast het laatste boek dat ik daarvoor had uitgelezen. Dat heb ik ongeveer twee jaar geleden veranderd, het leek mij namelijk ook wel eens leuk om alle boeken van een auteur naast elkaar te zien staan.
Mijn nieuwe systeem is simpelweg de alfabetische volgorde, maar dan ook alles op alfabetische volgorde. Ik maak geen onderscheid tussen poezië en proza, of tussen biografie en autobiografie, of tussen fictie en proza. Alles op volgorde van de achternaam van de auteur, en dan per auteur op volgorde van verschijning. Ook dat brengt natuurlijk enkele problemen met zich mee. Biografieën komen te staan bij degene waar ze over gaan. En mijn ‘corpus’ begint met min of meer auteurloze bundels (dat begrip neem ik ruim) zoals A Thing of Beauty, What We Believe but Cannot Prove, en De Vreugdeloze Wetenschap.

Het is natuurlijk voor het oog erg leuk als alle boeken van een auteur ook daadwerkelijk in een ongebroken rij naast elkaar staan. Dat is met mijn semi-beperkte ruimte niet altijd mogelijk, en ik heb veel structuren geprobeerd. Mijn nieuwste probleem is Het Monotheïstisch Dilemma van Cliteur. Cliteur deelt namelijk een plank met Dawkins en het laatste boek van Dawkins staat tegen de rechterkant van de desbetreffende plank geduwt. Als ik het (toepasselijk afgekort tot simpelweg) Dilemma, nu op die plank bijvoeg, komt The Greatest Show on Earth zielig in zijn eentje drie planken lager te staan, aangezien mijn audio-apparatuur ook zijn plaats opeist. Mijn rijen van b.v. Nietzsche, Miller en Kerouac zijn ook gebroken, maar dat is minder schrijnend omdat in die gevallen nog meerdere boeken van een auteur naast elkaar kunnen staan, en er dus niet een enkel deeltje buiten de boot valt.

Het begon allemaal met de biografie van de Amerikaanse dichter J.D. Morrison, bij velen beter bekend als Jim Morrison, de zanger van The Doors. Uit mijn vader’s boekenkast trok ik ooit No One Here gets Out Alive, zijn biografie, geschreven door, Jerry Hopkins an Danny Sugerman, een boek wat ik wel meer dan tien keer gelezen moet hebben. Wat mij vooral intrigeerde was Jim’s voorliefde voor literatuur. Voorheen had ik zelf al veel gelezen, eerst natuurlijk strips en kinderboeken, daarna veel science-fiction (Frank Herbert en Arthur C. Clarke e.d.) en alle boeken over The Saint en van Ian Flemming. Maar dat was toch geen ‘echte literatuur’, zo besloot ik nadat ik No One Here voor de zoveelste keer had gelezen.
Ik pakte mijn rugzakje en vertrok ergens in de winter van 2001 naar de Slegte in Amsterdam. Daar aangekomen heb ik alle daar aanwezige boeken minstens twee keer aangeraakt, en kocht uiteindelijk zeven boeken: The Boys from Brazil, van Levin (meteen de laatste thriller die ik ooit las, niet dat ik een hekel aan thrillers heb, maar literatuur / wetenschap / filosofie trekt mij veel meer), A Devil in Paradise van Henry Miller, Zen and the Art of Motorcycle Maintenance van Pirsig, John Barleycorn or Alcoholic Memoirs van Jack London, Dubliners van Joyce, Lord of the Flies van Golding en Less Than Zero van Ellis.

Veel van die boeken hadden een inleiding waarin gewag werd gemaakt van degenen die door de auteur waren beinvloed en van degenen door wie de auteur was beinvloed. Van daar uit ben ik toen verder gaan lezen, en er ontstond een sneeuwbal-effect. Ik heb nooit een genealogisch schema gemaakt (dat klusje bewaar ik voor mijn oude dag), maar ik maak mij sterk dat alle boeken die nu in mijn kast staan op de een of andere manier (zij het door een literatuurverwijzing in een boek, zij het door een literatuurverwijzing in een inleiding) zijn terug te herleiden tot No One Here.
Het stukgelezen exemplaar van No One Here heb ik ondertussen trouwens weer aan mijn vader geretourneerd. Ergens vorig jaar vond ik in de Slegte in Utrecht namelijk een vrijwel ongeschonden versie.
Mattijs Glas, www.mattijsglas.com
Recente reacties